Wetsvoorstel erkenning van klinisch seksuologen aangepast
Volksvertegenwoordigers Nathalie Muylle c.s (cd&v) dienden een amendement in bij hun eigen wetsvoorstel tot erkenning van klinische seksuologen. Het amendement komt er op advies van de FOD Volksgezondheid.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Hun wetsvoorstel wil klinisch seksuologen die beantwoorden aan een specifiek kennis- en competentieprofiel erkennen als geestelijke gezondheidsbeoefenaars. De WUG regelt thans enkel de klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen. Pogingen om ook het beroep van klinisch seksuoloog te regelen als geestelijk gezondheidszorgberoep faalden tot nu toe.
Het amendement komt er op advies van de FOD Volksgezondheid en houdt verband met de bevoegdheid van de gemeenschappen voor de erkenning van gezondheidszorgberoepsbeoefenaars en de recente afschaffing van de verplichte professionele stage voor klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen.
Wijziging van de WUG
Artikel 3 van het wetsvoorstel voegt in de WUG een nieuw artikel toe, artikel 68/1/1. Het ingediende amendement vervangt de oorspronkelijke versie van dat voorgestelde artikel door de volgende tekst.
Art. 68/1/1. § 1. Buiten de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars (artsen) mag alleen de houder van een erkenning de klinische seksuologie uitoefenen. In afwijking van het eerste lid, mag de klinische seksuologie eveneens worden uitgeoefend door de houder van een erkenning in de klinische psychologie en in de klinische orthopedagogiek die beschikt over voldoende kennis van de klinische seksuologie. De Koning bepaalt de voorwaarden met betrekking tot de opleiding en de praktijkstage die vervuld moeten zijn om die voldoende kennis aan te tonen.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1 bedoelde erkenning, de leerstof die moet zijn verwerkt en intervisie, supervisie en permanente vorming die moeten zijn gevolgd. De erkenning in de klinische seksuologie kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische seksuologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische seksuologie inbegrepen. Met de houder van een diploma in het domein van de klinische seksuologie worden gelijkgesteld, de personen die houder zijn van een universitair diploma in het vakgebied van de seksuologie dat werd uitgereikt voor de inwerkingtreding van dit artikel en die een beroepservaring van minimum drie jaar in het domein van de klinische seksuologie kunnen bewijzen.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde bepaald in artikel 3 wordt onder de uitoefening van de klinische seksuologie verstaan het gebruikelijk verrichten van handelingen die tot doel hebben of worden voorgesteld tot doel te hebben, bij gezonde of zieke personen, koppels, gezinnen, groepen of gemeenschappen, in een wetenschappelijk onderbouwd klinisch seksuologisch referentiekader, enerzijds het promoten, beschermen, bevorderen en optimaliseren van de seksuele gezondheid, het bevorderen van educatie, preventie en raadgeving rond seksuele gezondheid en anderzijds het luisteren naar en inschatten van een seksuele klacht, het opstellen van een diagnostisch bilan, het behandelen of heroriënteren van klachten of symptomen. De Koning kan de in het eerste lid bedoelde verrichtingen verduidelijken en omschrijven en de voorwaarden voor de uitoefening ervan vaststellen.”
Geen uitoefening klinische psychologie of klinische orthopedagogiek
Eveneens op advies van de FOD worden artikel 4 en 5 van het oorspronkelijke wetsvoorstel geschrapt. Die artikelen zouden erkende klinisch seksuologen eveneens toegang verlenen tot de uitoefening van de klinische psychologie of de klinische orthopedagogiek, op voorwaarde dat zij beschikten over voldoende kennis van dit vakgebied.
Het advies van de FOD Volksgezondheid wees er op dat het in de praktijk bijzonder complex blijkt om de criteria vast te leggen voor het aantonen van die kennis. Bovendien blijkt dit niet tegemoet te komen aan een concrete vraag vanuit het werkveld. Om die redenen wordt voorgesteld deze uitbreiding te schrappen.