Cassatie: mocht ziekenhuis mortuariumkosten aanrekenen?
Cassatie vernietigt vonnis vrederechter
In een arrest van 7 september vernietigde het Hof van Cassatie een vonnis van de vrederechter in Lier in verband met het aanrekenen van de mortuariumkost door een ziekenhuis aan de nabestaanden van een overleden patiënt.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De beslissing van de vrederechter
Het vonnis van de vrederechter van 17 september 2024 werd geveld in een geschil tussen de man van een overleden vrouw en het Heilig Hart Ziekenhuis te Lier. De dag na haar overlijden was zij door een begrafenisondernemer opgehaald.
De eiser in cassatie meende dat het ziekenhuis ten onrechte 'funerariumkosten' in rekening bracht (eigenlijk 'mortuariumkosten'), omdat die door het budget van financiële middelen van het ziekenhuis zijn gedekt en dus niet mogen worden doorgerekend aan de nabestaanden.
Het ging om de kosten “funerarium”, “lijktooi” en “lijkwade” op de ziekenhuisfactuur, samen voor een bedrag van 124 euro.
De vrederechter had geoordeeld dat op basis van het KB van 25 april 2002 - dat regelt hoe het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen wordt vastgesteld - de mortuariumkost, waarvan hij vaststelt dat deze door het budget van financiële middelen wordt gedekt, mocht worden aangerekend, omdat de overledene niet meer in het ziekenhuis verbleef toen zij door de begrafenisondernemer werd opgehaald. De vrederechter veroordeelde het ziekenhuis wel tot terugbetaling van de kosten “lijktooi” en “lijkwade” ten bedrage van samen 49 euro.
Het oordeel van het Hof van Cassatie
Volgens het Hof van Cassatie heeft de vrederechter zijn beslissing op deze manier niet naar recht verantwoord. Het KB van 25 april 2002 regelt hoe het budget van financiële middelen voor de ziekenhuizen wordt vastgesteld en betaald, maar het bepaalt niet welke kosten al dan niet mogen worden aangerekend aan de patiënt.
Het vonnis werd vernietigd en de zaak werd doorverwezen naar de vrederechter te Mechelen.