Voor vertrouwensband hulpverlener-hulpvrager
Grondwettelijk Hof bevestigt primaat beroepsgeheim
De inachtneming van het beroepsgeheim is de conditio sine qua non voor het instellen van een vertrouwensband tussen de houder van het geheim en de persoon die iemand in vertrouwen neemt. Dat stelt het Grondwettelijk Hof in een recent arrest.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het Grondwettelijk Hof vernietigde in een arrest van 2 april 2026 een bepaling in het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 houdende hervorming van het bestuur van het‘Office de la Naissance et de l’Enfance’ (ONE).
Deze bepaling voegde in het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen een artikel 16/4 in dat een klachtenprocedure regelt.
Dat artikel garandeerde onder meer het recht van de klager om ‘de documenten in het dossier te raadplegen’. Verschillende organisaties en personen vroegen de vernietiging van dat onderdeel van die bepaling.
Orde der artsen tussenkomende partij
De Orde der artsen kwam tussen in de procedure om het beroep tot vernietiging te ondersteunen. De Orde deed gelden dat zij belang heeft om tussen te komen, teneinde de voorwaarden van de vertrouwensrelatie tussen artsen en patiënten te beschermen, waarvan het beroepsgeheim deel uitmaakt.
Zij gaf aan dat het Hof meermaals het belang van andere beroepsordes om het beroepsgeheim te verdedigen, heeft erkend.
Schending van recht op privéleven en beroepsgeheim
De verzoekende partijen voerden aan dat recht van de klager om het dossier te raadplegen een schending inhield van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind die de bescherming van het privéleven garanderen.
Zij stelden dat de bestreden bepaling de klager toeliet toegang te hebben tot het dossier dat wordt samengesteld en bijgehouden door het team SOS Kinderen. Dat zou niet alleen een onverantwoorde inmenging betekenen in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de betrokken minderjarige en van andere personen die bij de situatie van die minderjarige betrokken zijn, maar ook een aantasting van het beroepsgeheim van de teamleden die zijn opgetreden om de minderjarige op te vangen.
Het oordeel van het Grondwettelijk Hof
Het Grondwettelijk Hof wijst er op dat de geheimhoudingsplicht, die door de wetgever aan de houder van het beroepsgeheim is opgelegd, hoofdzakelijk tot doel heeft het fundamentele recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen van diegene die iemand in vertrouwen neemt, soms over iets heel persoonlijks.
Daarenboven is de inachtneming van het beroepsgeheim de conditio sine qua non voor het instellen van een vertrouwensband tussen de houder van het geheim en de persoon die iemand in vertrouwen neemt. Die vertrouwensband maakt het voor de houder van het beroepsgeheim mogelijk de persoon die hem in vertrouwen neemt op dienstige wijze bijstand te verlenen.
Volgens het Grondwettelijk Hof vormt het recht van de klager om de dossierstukken te raadplegen in het kader van de analyse van de procedures en van de werking van de teams SOS Kinderen in de huidige stand van de decreetgeving een onverantwoorde inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de minderjarige en, in voorkomend geval, van zijn familieleden en de personen uit zijn omgeving die bij de situatie betrokken zijn, van wie de zorgverlening door de klacht wordt beoogd.
De woorden ‘de documenten in het dossier te raadplegen’ in artikel 16/4, zoals ingevoegd in het decreet van 12 mei 2004 bij artikel 30 van het decreet van 18 april 2024, dienen te worden vernietigd.