Raad van State onbevoegd voor weigering deconventionering
De Raad van State verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de weigering van de deconventionering van een arts door het RIZIV. De arbeidsrechtbank is hiervoor bevoegd, zegt de Raad.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De Raad van State velde op 20 april 2026 een arrest waarin het beroep van een arts tot nietigverklaring van een beslissing van het RIZIV werd afgewezen. Het RIZIV had de laattijdige registratie door de arts van diens weigering tot toetreding tot het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen 2024-2025 niet aanvaard.
Het akkoord artsen-ziekenfondsen 2024-2025
Op 19 december 2023 sloot de nationale commissie artsen ziekenfondsen een akkoord voor 2024-2025. De Ministerraad keurde het goed op 26 januari 2024. Het akkoord werd op 5 februari 2024 bekendgemaakt in het Staatsblad.
De artsen konden hun weigering of gedeeltelijke toetreding uitsluitend elektronisch doorgeven via het ProGezondheid-portaal en hadden hiervoor de tijd tot en met 6 maart 2024. Het akkoord is in werking getreden op 21 maart 2024.
Het akkoord werd aan de arts ter kennis gebracht via zijn e-Healthbox op 5 februari 2024, en per e-mailbericht op 9 februari 2024. Per e-mailbericht van 25 maart 2024 meldde de arts aan het RIZIV dat hij door omstandigheden de omzendbrief betreffende de wijziging van zijn conventioneringsstatus niet tijdig had ontvangen.
Hij vroeg om alsnog te kunnen deconventioneren voor 2024. Nog diezelfde dag ontving de arts een reactie vanwege het RIZIV, luidens welke geen weigering meer kon worden geregistreerd voor het jaar 2024. Dat is de bestreden beslissing.
Raad van State onbevoegd
In zijn advies stelde de auditeur van de Raad van State dat de wetgever de geschillenbeslechting met betrekking tot deze materie aan de arbeidsrechtbank heeft toevertrouwd. De Raad van State heeft bijgevolg geen rechtsmacht om kennis te nemen van het voorliggende geschil.
Het gegeven dat het RIZIV zelf in de bestreden beslissing verwees naar een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, doet daaraan geen afbreuk.
De Raad van State sloot zich hierbij aan en oordeelde dat het verzoek tot nietigverklaring van de weigering van deconventionering niet ontvankelijk was.