Germinale teelbalkanker: recidieven sneller opsporen
EAU-CONGRES Een multicentrische studie heeft onderzocht of een recidief van een germinale teelbalkanker stadium 1 beter en vroeger kan worden gedetecteerd door sequentiële bepaling van microRNA-371, een nieuwe biomarker.
Germinale teelbalkanker is weliswaar zeldzaam, maar is toch de frequentste kanker bij jonge mannen. Als de tumor tijdig wordt behandeld, zal de patiënt goed genezen. De follow-up gebeurt door beeldvorming en bepaling van serumtumormarkers. “Daarbij rijzen meerdere problemen”, aldus Ernest Kaufmann, uroloog aan het Luzerner Kantonsspital (Duitsland).
“De concentratie van die markers is niet altijd verhoogd bij een recidief. De toegang tot en de beschikbaarheid van beeldvorming in Duitsland zijn wisselend. En met ioniserende stralen kan je niet altijd een microscopische ziekte opsporen. MicroARN-371a-3p is bijzonder relevant gebleken om een recidief van een germinale teelbalkanker op te sporen. Maar wat de optimale strategie is, is nog niet duidelijk.”
Materiaal en methode
Dr. Kaufman et coll. hebben een multicentrisch, prospectief cohortonderzoek uitgevoerd bij 107 patiënten ouder dan 18 jaar met een germinale teelbalkanker stadium I, die actief werden gevolgd. 73% had een zuiver seminoom. “Bij elke consultatie hebben we naast de gebruikelijke markers (AFP, HCG, LDH) ook het miRNA gemeten om dat te vergelijken met de diagnostische precisie van het beeldvormingsonderzoek.”
Als de miRNA-spiegel lager was dan 15, werd de patiënt gewoon verder gevolgd. Als die 15 of hoger was, werd een nieuwe meting uitgevoerd na twee tot vier weken. Als de spiegel dan lager was, werd de patiënt verder gevolgd. Als de spiegel dan nog was gestegen, werd verder onderzoek (serumtumormarkers en beeldvorming) uitgevoerd. Tijdens een mediane follow-up van 13 maanden hebben 15 patiënten een recidief ontwikkeld.
Resultaten
De vorsers hebben de sensitiviteit, de specificiteit, de positieve voorspellende waarde (+VW) en de negatieve voorspellende waarde (-VW) van de drie doseringen geëvalueerd.

Een stijging van de miRNA-spiegel bij twee metingen na elkaar correleerde met een betere specificiteit, een betere positieve voorspellende waarde en een hogere sensitiviteit dan de standaardtumormarkers. Maar gezien het risico op fout-negatieve uitkomsten blijft beeldvormingsonderzoek essentieel in de follow-up.
Invloed op de behandeling van een recidief?
Er zijn 15 recidieven gedetecteerd in verschillende tumorstadia: zes in IIA, zes in IIB, een in IIC en twee in IIIA. Bij de patiënten bij wie het recidief vroeger werd gedetecteerd dankzij bepaling van het miRNA, bedroeg de mediane tijd tot het stellen van de diagnose met een andere methode 2,5 maanden.
Daardoor hebben de vorsers de behandeling bij een aantal patiënten kunnen afbouwen, waardoor die veel minder bijwerkingen hebben ontwikkeld. Bij twee patiënten is een primaire dissectie van de retroperitoneale lymfeklieren uitgevoerd (bij één met een adjuvante BEP-kuur) en zes patiënten hebben radio-chemotherapie gekregen volgens het SAKK 01/18-protocol. De anderen hebben chemotherapie gekregen. Verder onderzoek is wenselijk om na te gaan of er al dan niet een oorzakelijk verband bestaat tussen een vroege detectie en een (mogelijke) de-escalatie van de behandeling.
Referentie:
E. Kaufmann, Enhanced Diagnostic Accuracy and Earlier Relapse Detection with Sequential MicroRNA-371 Testing in Stage I Testicular Germ Cell Tumors: A Prospective Multi-Institutional Cohort Study, gepresenteerd op het congres van de EAU op 16 maart 2026.