PremiumFederale politiek

Nieuw Strafwetboek: wat zijn de gevolgen voor uw aansprakelijkheid?

Op 8 april 2026 treedt de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek in werking. Dat Boek I bevat de algemene regels van het Strafrecht. Hier belichten we de mogelijke gevolgen ervan voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid in de gezondheidszorg.

Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven

Jusitiepaleis Brussel

Een van de belangrijkste vernieuwingen die Boek I invoert, is het moreel bestanddeel van een misdrijf. Het huidige Strafwetboek is stilzwijgend over het moreel bestanddeel van het misdrijf.

Aangezien het moreel bestanddeel een constitutief bestanddeel van een misdrijf uitmaakt, kreeg dit een grondslag in het nieuwe Strafwetboek. Artikel 5 van Boek I bepaalt daarom dat er slechts een misdrijf is indien een materieel én een moreel bestanddeel aanwezig zijn.

Het materieel bestanddeel bestaat uit een handeling of een nalaten (artikel 6). Artikel 7 § 1, eerste lid vult de lacune in het huidige Strafwetboek op, en bepaalt dat elk misdrijf het bestaan vereist van een moreel bestanddeel bij de dader. Dit moreel bestanddeel houdt in dat de betrokkene in staat is bewust en uit vrije wil te handelen.

Lichte fout volstaat niet langer

Naast het bewust en uit vrije wil handelen kan op grond van het artikel 7, § 1, derde lid, de wet nog bijkomende vereisten stellen opdat aan het moreel bestanddeel zou zijn voldaan. Voor een onopzettelijk misdrijf is dat een zware fout; dit is krachtens § 3 een ‘ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid’. Het woord ‘ernstig’  houdt een belangrijke vernieuwing in. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie volstaat nu zelfs de lichtste fout om van een misdrijf te spreken. Dat houdt een stigmatisering in van een arts die een lichte fout begaat.

Strafrechtelijke vs. burgerrechtelijke fout

Deze vereiste van een zware fout voor onopzettelijke misdrijven zal belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de aansprakelijkheid van WUG beoefenaars. Indien zij schade berokkenen aan een patiënt, is dit in de meeste gevallen onopzettelijk.

Tot nu toe geldt wat men de "eenheid van de strafrechtelijke en de burgerlijke fout" noemt. Daarmee wordt bedoeld dat strafrechtelijke aansprakelijkheid en burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen samenvallen.

Dat heeft ertoe geleid dat het 'slachtoffer' vaak de strafrechtelijke weg kiest om via het optreden van het openbaar ministerie het bewijs van de schuld te verzamelen, maar eerder met de bedoeling om burgerrechtelijke schadevergoeding te verkrijgen dan om de overtreder een straf op te leggen.

Volgens de auteurs van het nieuwe Strafwetboek zou een probleem inzake bewijsvoering in burgerlijke zaken op zich nochtans geen reden mogen vormen voor een beroep op het strafrechtelijke instrumentarium. Voor die kwestie van de bewijsgaring moet dus een oplossing gevonden worden in het kader van de burgerlijke rechtspleging, niet via strafrecht.

Minder strafrechtelijke aansprakelijkheid?

Op het eerste gezicht zou het doorbreken van de eenheid tussen strafrechtelijke en burgerrechtelijke fout tot minder vorderingen tot strafrechtelijke aansprakelijkheid in de gezondheidszorg kunnen leiden. Daar staat tegenover dat op dit ogenblik die strafrechtelijke weg eigenlijk niet zo gunstig is voor patiënten, omdat in het strafrecht het vermoeden van onschuld geldt.

Het nieuw Strafwetboek bevat bovendien geen criteria of aanwijzingen om te beoordelen of de fout die wordt begaan bij het plegen van een onopzettelijk misdrijf al dan niet zwaar is. Dit wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter.

Eenzelfde fout in een huisartsenpraktijk zou anders kunnen worden beoordeeld dan in een ziekenhuisomgeving

In dit verband is het volgende citaat uit de memorie van toelichting bijzonder intrigerend: ‘De zwaarte van de fout zal afhangen van de regels die in de betrokken sector gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld de medische sector)’.

Moet dit citaat zo begrepen worden dat sneller kan worden geconcludeerd dat een zware fout werd begaan als er in de sector een 'gebruikelijke' regel bestaat, bijvoorbeeld een deontologische regel of een professionele richtlijn die niet werd gerespecteerd?

Volgens de memorie van toelichting zal de zwaarte van de fout ook afhangen ‘van de werkelijke mogelijkheden van de beklaagde: eenzelfde gedrag zal blijkbaar beschouwd kunnen worden als een lichte fout voor de ene en als een zware fout voor de andere, naargelang van de persoonlijke omstandigheden van de verdachten’. Zo zou eenzelfde fout in een huisartsenpraktijk dus anders kunnen worden beoordeeld dan in een ziekenhuisomgeving.

Bovendien zal ‘de herhaalde lichte fout beschouwd kunnen worden als een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid’. Zo absoluut is het onderscheid tussen lichte en zware fout dan ook weer niet.

Wat heb je nodig

Krijg GRATIS toegang tot het artikel
of
Proef ons gratis!Word één maand gratis premium partner en ontdek alle unieke voordelen die wij u te bieden hebben.
  • wekelijkse newsletter met nieuws uit uw vakbranche
  • digitale toegang tot 35 vakbladen en financiële sectoroverzichten
  • uw bedrijfsnieuws op een selectie van vakwebsites
  • maximale zichtbaarheid voor uw bedrijf
Heeft u al een abonnement? 
Geschreven door Herman Nys6 maart 2026
Print Magazine

Recente Editie
24 juni 2025

Nu lezen

Ontdek de nieuwste editie van ons magazine, boordevol inspirerende artikelen, diepgaande inzichten en prachtige visuals. Laat je meenemen op een reis door de meest actuele onderwerpen en verhalen die je niet wilt missen.

In dit magazine