Column
Begroten is één ding. Uitvoeren iets anders
Kathleen Depoorter
Apotheker en N-VA-Kamerlid
De jaarlijkse RIZIV-audits zijn veel meer dan een financiële oefening. Ze tonen waar belastinggeld terechtkomt, maar vooral waar het blijft liggen. En dat laatste zou iedereen die de gezondheidszorg een warm hart toedraagt, moeten verontrusten.
We discussiëren vaak over besparingen, terwijl op verschillende plaatsen miljoenen euro's gewoon niet worden gebruikt. Budgetten worden ingeschreven, ambities aangekondigd, maar vervolgens blijft de uitvoering achterwege. Dat is een gemiste kans voor patiënten én voor zorgverleners.
Neem de geneesmiddelen. Jaarlijks wordt bijna twee miljard euro aan refunds op innovatieve geneesmiddelen geboekt. Tegelijk krimpt het aandeel van de openbare officina jaar na jaar, terwijl de al dan niet ambulante ziekenhuisapotheek terrein wint. Die evolutie baart me zorgen. De apotheker is voor veel mensen het eerste aanspreekpunt in de zorg. Dat laagdrempelige netwerk afbouwen is een slechte zaak voor de patiënt. Niet toevallig staat in het regeerakkoord dat deze verschuiving moet worden aangepakt. Dan verwacht ik ook dat die afspraak wordt uitgevoerd.
Opvallend is dat de medische huizen opnieuw extra middelen opnemen, terwijl hun aantal slechts beperkt stijgt. Dat patroon zien we al enkele jaren. Intussen blijven andere prioriteiten steken in mooie intenties.
De preventieve gezondheidsdoelstellingen zijn daar een treffend voorbeeld van. Voor pulmonaire revalidatie werd in 2025 geen euro uitgegeven. Geen euro. Terwijl longzorg net een verschil kan maken voor levenskwaliteit én het vermijden van heropnames. Dat is moeilijk uit te leggen.
'We moeten durven evalueren en bijsturen.'
Hetzelfde beeld zien we in de geestelijke gezondheidszorg. De beschikbare budgetten worden niet volledig benut, terwijl de vraag naar psychologische hulp alleen maar stijgt. De somatische zorg voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen blijft onderontwikkeld. Psychologische begeleiding in gevangenissen krijgt amper middelen, hoewel net daar goede zorg de kans op herval kan verkleinen. Wie preventie ernstig neemt, kan zulke signalen niet negeren.
Ook in de verpleegkundige sector blijven kansen onbenut. Het Fonds voor de Witte Bloezen wordt opnieuw niet volledig besteed. Het voorziene aandeel voor zelfstandige verpleegkundigen geraakt niet ingevuld. De thuisverpleging laat bijna 100 miljoen euro liggen en het aantal forfaits voor zwaar zorgafhankelijke patiënten daalt zelfs. Dat zou alle alarmbellen moeten doen afgaan. Net de zwaarste zorgprofielen verdienen maximale ondersteuning.
Wat mij misschien nog het meest treft in de audits, is dat budgetten vaak vertrekken vanuit goede bedoelingen, maar zelden gekoppeld zijn aan duidelijke doelstellingen of een grondige evaluatie. We meten onvoldoende of extra middelen werkelijk leiden tot betere zorg. Zonder effectiviteitstoets blijft begroten te vaak een papieren oefening. Straks volgt er voor de regering opnieuw een loodzware budgettaire oefening. Laat die op feiten en effectiviteit berusten, niet op lineaire goedklinkende voornemens. Maak die oefening met kennis én met de zorgverstrekkers, bottom-up.
Elke euro in de gezondheidszorg is waardevol. Daarom moeten we niet alleen durven investeren, maar evenzeer durven evalueren en bijsturen. Dat is geen besparingsverhaal. Dat is een verhaal van goed bestuur.
Want uiteindelijk draait het niet om cijfers in een begroting. Het draait om patiënten die tijdig de juiste zorg krijgen, zorgverleners die hun werk kunnen blijven doen en een gezondheidszorg die ook morgen nog betaalbaar blijft.