Laurens Liesenborghs: “Ebola blijft ons verrassen”
Snel na de uitbraak van ebola in Congo in mei van dit jaar vertrok dr. Laurens Liesenborghs van het Instituut voor Tropische Geneeskunde naar de voormalige kolonie om er de strijd tegen de ziekte aan te binden. Enkele dagen voor hij na een kort verblijf in ons land terug naar Oost-Congo vertrok, kon Artsenkrant hem interviewen.
U bent vrij snel na het bekendmaken van de uitbraak naar Congo getrokken. Hoelang bent u ter plaatse geweest?
Laurens Liesenborghs: Iets langer dan drie maanden. Ongeveer twee weken na het bekend raken van de uitbraak zijn we eind mei vertrokken, maar het duurde nog ongeveer een week voor we vanuit Kinshasa een vlucht konden krijgen naar Oost-Congo.
Hoe komt zo’n missie tot stand? Neemt het Instituut voor Tropische Geneeskunde zelf het initiatief, of gebeurt dat op vraag van Congo of de Wereldgezondheidsorganisatie?
We hebben al heel lang partnerschappen met Congo. Vanaf dag één staan we in nauw overleg met onze Congolese collega’s en bekijken we wat we kunnen doen. In dit geval waren we ook betrokken bij een klinische studie die al in de startblokken stond.
Die studie was dus al voorbereid voor de uitbraak?
Absoluut. Voor ons was het vanzelfsprekend om die meteen te lanceren. Daardoor konden we de studie in een recordtijd opzetten: anderhalve maand na de officiële afkondiging van de uitbraak konden we de eerste patiënt includeren. Dat is een absoluut record, maar daar gingen wel enkele jaren voorbereiding aan vooraf. Zodra we het nieuws hoorden, wisten we wat ons te doen stond.
'Bij infectieziekten moet je altijd het onverwachte verwachten'
Aandacht voor zwarte zwanen
U hebt de bestrijding van de epidemie de voorbije maanden van heel dichtbij meegemaakt. Wat hebt u over ebola geleerd dat u als infectioloog voordien nog niet of onvoldoende besefte?
Bij infectieziekten moet je altijd het onverwachte verwachten. Het blijft een moeilijke evenwichtsoefening. Enerzijds moet je je baseren op de wetenschap en op eerdere ervaringen, zodat je niet aan paniekvoetbal doet. Anderzijds moet je altijd bedacht blijven op zogenaamde zwarte zwanen: zeer zeldzame gebeurtenissen die zich toch voordoen. Bundibugyo is zo’n verrassing. We dachten dat dit virus vooral kleine epidemieën veroorzaakte en besteedden er relatief weinig aandacht aan. Niemand had verwacht dat de volgende uitbraak door dit virus zou worden veroorzaakt.

Het virus was wel al bekend?
Ja, dit is de derde uitbraak. Er waren eerder twee kleinere uitbraken: één in Oeganda, in de plaats Bundibugyo, en één in het noordoosten van Congo in 2012. Ebola blijft ons verrassen. De meeste uitbraken zijn klein. Tot 2014 dachten we dat ebola altijd kleine uitbraken veroorzaakte. Toen kregen we plots de grootste epidemie ooit, in West-Afrika, waar we ebola niet hadden verwacht. Dat was ook zo’n zwarte zwaan. Nu komt Bundibugyo als een verrassing. Je moet dus altijd voorbereid zijn op verrassingen.
Hebt u een verklaring voor de omvang van de huidige uitbraak?
Het is een complex, multifactorieel proces: een soort perfecte storm. Voor een grote ebola-uitbraak moeten verschillende omstandigheden samenkomen. In principe is het niet zo moeilijk om een ebola-uitbraak te stoppen. De ziekte is zeer dodelijk, mensen worden ernstig ziek en dat is zichtbaar. Bovendien ben je pas besmettelijk wanneer je symptomen hebt. Besmetting gebeurt via rechtstreeks contact met lichaamsvloeistoffen. Als je een goed functionerend gezondheidssysteem hebt, kun je besmette mensen op een veilige en menswaardige manier isoleren, hun contacten opvolgen en nagaan of die symptomen ontwikkelen. Zo kun je een uitbraak indijken.
Heel wat landen slagen daar goed in. De voorbije jaren hebben we uitbraken gezien in Oeganda, Rwanda, Ethiopië en Tanzania, veroorzaakt door ebolavirussen of verwante virussen, zoals het marburgvirus.
Het virus krijgt vooral voet aan de grond waar gezondheidssystemen bijzonder zwak zijn, vaak in landen die ook door structurele armoede of conflicten worden getroffen. Het was geen toeval dat de drie zwaar getroffen landen in 2014 – Liberia, Guinee en Sierra Leone – tot de armste landen ter wereld behoorden. Twee daarvan kwamen bovendien net uit een burgeroorlog.
In Oost-Congo komen nu opnieuw veel factoren samen. Vooral dramatisch is dat de uitbraak waarschijnlijk al sinds januari bezig was. Ik heb veel gesproken met onderzoekers die naar de plaats zijn geweest waar ze begon. Er waren vanaf januari al verdachte overlijdens en mensen met symptomen die bij ebola pasten.
In een regio die eerder al een ebola-uitbraak heeft meegemaakt, heeft het dus vier maanden en vermoedelijk meer dan vijfhonderd infecties geduurd voordat de uitbraak werd opgepikt. Toen dat midden mei gebeurde, was het virus waarschijnlijk al diep doorgedrongen. We vergelijken het met een veenbrand: die woedt ondergronds en komt plots aan de oppervlakte, maar is dan al wijdverspreid.
Dat is waarschijnlijk een van de belangrijkste verklaringen, samen met een ondergefinancierd gezondheidssysteem dat niet tegen de epidemie opgewassen is. Daar komen conflicten bij en wantrouwen tegenover de autoriteiten, ook tegenover gezondheidsautoriteiten. Bovendien gaat het om een virus dat we niet hadden verwacht, waarvoor de diagnostiek moeilijker was en waarvoor geen specifiek goedgekeurde vaccins of behandelingen beschikbaar waren. Al die elementen samen maken dit tot een zeer grote uitdaging.

De beslissing van de WHO om snel te spreken van een internationale medische noodsituatie (PHEIC) was terecht?
Ja, de ernst werd meteen ingezien. Dat is een groot verschil met 2014, toen de WHO veel kritiek kreeg omdat ze te laat reageerde. Nu besefte iedereen onmiddellijk dat het een ernstige situatie was.
Genetische eigenheid van Bundibugyo
Bundibugyo is minder bekend dan het Zaïre-ebolavirus. Wat is er klinisch anders en wat betekent dat voor diagnose, prognose en behandeling?
We hebben een studie opgezet om het ziektebeeld heel nauwkeurig te karakteriseren. We bekijken de symptomen, complicaties en andere klinische kenmerken in detail. Op het eerste gezicht lijkt het ziektebeeld sterk op dat van het Zaïre-ebolavirus. Mogelijk ligt de sterfte iets lager. Aan het begin van de epidemie zagen we een sterfte van ongeveer 30 tot 35 procent. Ondertussen ligt die hoger, maar dat komt waarschijnlijk ook doordat we slechts het topje van de ijsberg zien. Vermoedelijk verloopt de ziekte dus iets milder, hoewel de sterfte nog altijd zeer hoog is. Hoe de exacte percentages liggen, is nog niet duidelijk. Dat onderzoeken we momenteel.
'Ondertussen ligt de sterfte hoger, maar dat komt waarschijnlijk ook doordat we slechts het topje van de ijsberg zien'
Genetisch verschilt het virus wel, en dat heeft vooral gevolgen gehad voor de PCR-diagnostiek. In Afrika zijn steeds meer gedecentraliseerde laboratoria. Die ontwikkeling komt vooral voort uit de zorg voor hiv en tuberculose, waarbij men cassetteplatformen zoals GeneXpert gebruikt voor PCR-tests.
Voor die platformen bestaan ook ebolatests. De toestellen waren vrij goed verspreid in Afrika, ook in het oosten van Congo. Alleen detecteert de beschikbare ebolacassette het Bundibugyo-virus niet. Daardoor heeft men de diagnostiek voor een stuk opnieuw moeten organiseren. Dat was een grote uitdaging.
Daarnaast zijn de goedgekeurde vaccins en therapieën ontwikkeld voor het Zaïre-ebolavirus. We hebben goede geneesmiddelen en vaccins tegen het Zaïre-ebolavirus. Maar ze zijn specifiek voor dat virus ontwikkeld en werken onvoldoende tegen Bundibugyo.
Als u zegt dat ze onvoldoende werken, betekent dat dan dat ze wel enige werking hebben?
Dat wordt nu onderzocht. Er lagen al therapieën op de plank die in het laboratorium ontwikkeld en getest waren en die ook tegen Bundibugyo werkten. Bij vaccins heeft het wat langer geduurd, maar ook die zijn nu in ontwikkeling, specifiek gericht tegen Bundibugyo.
Aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde onderzoeken we ook het vaccin tegen het Zaïre-ebolavirus. We zien dat mensen die daarmee gevaccineerd zijn ook enige antistoffen tegen Bundibugyo hebben. Er is dus een zekere kruisreactiviteit. Je kunt dat vergelijken met de oorspronkelijke covidvaccins, die nog enige bescherming kunnen bieden tegen nieuwere varianten, maar veel minder. We weten niet of die beperkte kruisreactiviteit zich ook vertaalt in daadwerkelijke bescherming tegen infectie met Bundibugyo. Mogelijk is er wat bescherming, maar in welke mate weten we niet. Daarom gaan er stemmen op om ook de bestaande vaccins tegen het Zaïre-ebolavirus te gebruiken. Tegelijk worden nieuwe vaccins ontwikkeld die vermoedelijk veel beter op Bundibugyo zullen aansluiten.
Twee kandidaat-vaccins
Wanneer zouden die nieuwe vaccins beschikbaar kunnen zijn?
Er zijn twee kandidaten. Het ene is een vaccin van Oxford, gebaseerd op het ChAdOx-platform. Dat is dezelfde technologie die tijdens de covidpandemie werd gebruikt voor wat het AstraZeneca-vaccin is geworden. Het andere is een RNA-vaccin van Moderna. Beide kandidaten worden momenteel bij gezonde vrijwilligers getest. Men bereidt studies voor om daarna ook de werkzaamheid te onderzoeken. Dat zal vermoedelijk nog enkele weken duren; hopelijk kan dat tegen eind november.
De hoop is dus om nog dit jaar met die studies te beginnen?
Ja, men hoopt in 2026 te kunnen starten. Maar zulke studies zijn een gigantische uitdaging. Wij werken volop mee aan de voorbereiding.
Werken jullie mee aan de studies met beide vaccins?
We helpen bij de voorbereiding van de studies. Voor ze ook een antwoord geven op de vraag of de vaccins werken, zijn we weer enkele weken tot maanden verder. Het is daarnaast belangrijk te beseffen dat de grote meerderheid van de ebola-uitbraken zonder vaccinatie is gestopt. Het basiswerk blijft essentieel: infecties opsporen, patiënten op een menswaardige manier isoleren en contacten goed opvolgen. Dat is vaak nog belangrijker dan een vaccin.
U verwees naar het wantrouwen tegenover de overheid en de zorg. Er waren ook berichten over aanvallen op ziekenhuizen. Hoe gaat u daarmee om en hoe kunt u dat wantrouwen wegnemen?
In de praktijk valt dat vaak veel beter mee dan wordt voorgesteld. Een van de dominante verhalen over deze epidemie is dat de bevolking wantrouwig staat tegenover de bestrijding ervan. Dat wordt dikwijls sterk overdreven. Het wantrouwen dat er is, is bovendien vaak perfect begrijpelijk. Mensen hebben er decennialang conflicten en gewapende strijd meegemaakt, waarbij de regering vaak zelf betrokken was. Ze hebben dus redenen om autoriteiten te wantrouwen.
Dan duikt zo’n ziekte op en komt er plots een bestrijdingsoperatie die er behoorlijk beangstigend uitziet. Er worden tenten neergezet, zieke mensen worden naar binnen gebracht en hulpverleners lopen rond in beschermingspakken die er griezelig uitzien. Bovendien komt één op de twee patiënten niet levend uit zo’n tent. Wanneer iemand overlijdt, krijgen familie en vrienden het lichaam niet terug om het volgens de traditionele rituelen te begraven.
Denk aan de beperkende maatregelen die we hier tijdens covid hebben meegemaakt. Wat mensen daar meemaken, gaat nog veel verder. Het is logisch dat er enig wantrouwen en verzet ontstaat. Maar je kunt daarmee omgaan: leg goed uit wat je doet en werk nauw samen met de lokale gemeenschap. Dan lukt het.
Ik heb dat zelf gezien toen ik in Bunia aankwam. Een van de eerste behandelingscentra die ik bezocht, lag in Rwampara, op ongeveer tien kilometer van Bunia. Daar waren in de eerste twee weken van de uitbraak tenten in brand gestoken. Die beelden gingen de wereld rond. Toen ik er twee weken later kwam, was alles rustig. Wat was er gebeurd? Men was aanvankelijk te bruusk te werk gegaan. Er waren plots tenten neergezet zonder de lokale bevolking goed te informeren. Men was te snel gegaan.
Na het incident heeft men twee stappen teruggezet. Men is met bewoners en lokale leiders gaan praten. In plaats van tenten heeft men houten structuren gebouwd, met mensen uit de lokale gemeenschap die daarvoor werden ingehuurd. Zo werd iedereen betrokken bij de bestrijding. Dat werkte bijzonder goed. Sindsdien was de situatie er bekoeld en waren er geen problemen meer. Het wantrouwen speelt dus een rol, maar er wordt naar mijn gevoel veel te veel gewicht aan gegeven.
Een fragiel evenwicht
Bent u zelf ooit in een gevaarlijke situatie terechtgekomen?
Nee. Hulpverleners worden over het algemeen gerespecteerd. De aanwezigheid van veel milities en gewapende groepen zorgt soms wel voor moeilijke situaties. Als je bijvoorbeeld van Bunia naar het mijnstadje Mongbwalu rijdt, waar de epidemie begonnen is, kom je tijdens een rit van enkele uren zeker tien checkpoints tegen, mogelijk meer. Het gaat om een afstand van ongeveer tachtig kilometer. Een deel van de controleposten is van regeringstroepen, een ander deel van gewapende milities. In de regel laten ze hulpverleners zonder problemen door. Het blijft wel een complex en gespannen evenwicht. Er zijn ook zones waar je niet naartoe kunt, en ook daar woedt de epidemie.
Op de situatie in die gebieden hebben jullie dan weinig tot geen zicht?
In heel wat gebieden is werken moeilijk, soms vanwege de veiligheid, soms vanwege de afgelegen ligging. Daardoor zijn de aantallen besmettingen die we zien zonder enige twijfel een zeer grove onderschatting van de werkelijke omvang. Ik schat dat zowel de besmettingen als de overlijdens met een factor twee tot vier worden onderschat.
Een manier om te beoordelen hoe goed de bestrijding en de surveillance werken, is het onderzoeken van mensen die thuis, in de gemeenschap, overlijden. We spreken van community deaths of décès communautaires. Men onderzoekt dan of die mensen aan ebola zijn gestorven. In die gebieden zien we nog veel oversterfte en veel mensen die thuis overlijden. Van de onderzochte thuis overleden mensen test vaak meer dan de helft positief op ebola. Dat zijn allemaal mensen die het ziekenhuis niet hebben bereikt en intussen vermoedelijk familieleden hebben besmet.
Als mensen thuis overlijden, vergroot dat dus het risico op verdere verspreiding?
Absoluut. Als je naar de epidemiologie van ebola kijkt, zijn vooral drie situaties belangrijk. Ten eerste zijn er zieke mensen die thuis blijven en door familieleden verzorgd worden. Ten tweede zijn er begrafenissen. In Congo zijn dodenwaken een heel belangrijk ritueel. Men baart overledenen op, blijft de hele nacht en soms meerdere dagen bij het lichaam, raakt het aan, wast het en kleedt het aan. Dat is een mooie en belangrijke traditie. Maar het lichaam van iemand die aan ebola is gestorven, bevat zeer veel virus. Begrafenissen kunnen daardoor echte superspreading gebeurtenissen worden.
De derde situatie is het ziekenhuis. Mensen zijn besmet met Bundibugyo of een ander ebolavirus, maar weten dat niet. Ze denken dat ze malaria of een andere oorzaak van diarree hebben. Ze gaan naar het ziekenhuis, worden niet correct geïsoleerd en besmetten hulpverleners en andere patiënten.
Als je die drie situaties kunt aanpakken — de verzorging thuis, de begrafenissen en de ziekenhuizen — kun je de uitbraak stoppen.
Hoelang blijft het virus in het lichaam van een overleden patiënt aanwezig? Is het gevaar na één of twee weken voorbij?
Ik weet de precieze termijn niet uit het hoofd. In de omgeving overleeft zo’n virus moeilijk. Het gaat vrij snel kapot door uitdroging en bijvoorbeeld uv-licht van de zon. In weefsel is dat anders. Daar kan het vermoedelijk weken aanwezig blijven. Ik weet niet of dat exact onderzocht is, maar ook bij het opgraven van een lichaam kan er nog virus aanwezig zijn.
'In België bestaat een vaste procedure, uitgewerkt door de verschillende gezondheidsautoriteiten'
Aanpak in België
Stel dat een patiënt zich bij een Belgische huisarts of spoeddienst meldt na een verblijf in een gebied met ebola. Wat moet die arts doen of juist niet doen?
Congo is groot. Het is dus belangrijk dat artsen op de hoogte zijn van de situatie, waakzaam blijven en de reisgeschiedenis goed uitvragen. Ebola kan zich aanvankelijk heel aspecifiek presenteren. Een beginnende malaria-infectie kan perfect lijken op een beginnende ebola-infectie.
Er bestaat een vaste procedure, uitgewerkt door de verschillende Belgische gezondheidsautoriteiten samen met het UZA en het team van Erika Vlieghe. Wij hebben daarbij ook advies gegeven. Bij een vermoeden is de eerste stap contact opnemen met de gezondheidsinspectie. De gezondheidsinspecteur stelt vragen en beoordeelt of het om een verdacht geval gaat. Als dat zo is, mogen in de gewone huisartsenpraktijk of het ziekenhuis waar de patiënt zich heeft aangemeld geen bijkomende procedures gebeuren. Zeker geen staalname of bloedafname.
Er mag dus geen bloed worden afgenomen?
Nee, absoluut niet. Een potentieel geval van ebola gaan we niet in een gewoon ziekenhuis diagnosticeren. Een bloedafname is in die omstandigheden een risicovolle handeling die volgens een strikt beveiligde procedure moet verlopen. De gezondheidsinspecteur beslist over isolatie en eventueel transport. Dat beveiligde transport wordt verzorgd door Defensie, die daarvoor speciaal vervoer heeft. De patiënt gaat naar de high-level isolation unit van het UZA, bij het team van Erika Vlieghe. Daar kan men in volledige beschermingsuitrusting veilig een bloedstaal afnemen. Dat staal wordt vervolgens hier op het ITG getest.
Hoelang duurt het voordat het resultaat bekend is?
Bij ebola gaat het om enkele uren. We hebben daarvoor een permanentie. Meestal wordt ook een opvolgstaal genomen om zeker te zijn dat de patiënt negatief is. Die procedure is al een paar keer geactiveerd. België is een belangrijke hub. Brussels Airlines vervult binnen het Star Alliance-netwerk een belangrijke rol voor Afrika. Daarnaast is de humanitaire sector hier sterk vertegenwoordigd, onder meer met het hoofdkwartier van Artsen Zonder Grenzen in Brussel.
En er is een grote Congolese gemeenschap, naast de historische banden tussen België en Congo.
Natuurlijk. De procedure is al met succes toegepast. Erika houdt haar team goed getraind. Er zijn geregeld oefeningen en simulaties, samen met het ziekenhuis en Defensie, om op zo’n situatie voorbereid te zijn.
Is er in België ook al een bevestigd geval geweest?
Nee. In Europa zijn er wel gevallen geweest. In de huidige uitbraak is bijvoorbeeld een Amerikaan naar Frankfurt in Duitsland gerepatrieerd. Ook tijdens de West-Afrikaanse uitbraak zijn besmette hulpverleners teruggekeerd. In de Verenigde Staten waren er toen enkele gevallen. Een goede vriend van mij, een Amerikaanse arts, is in 2015 besmet geweest en heeft de ziekte overleefd. Hij is toen in Atlanta behandeld. Er is dus al ervaring. Bovendien werken de high-level isolation units in Europa steeds meer samen en wisselen ze kennis uit. Erika is actief betrokken bij de uitbouw van zo’n netwerk.
Minder besmettelijk dan covid
Werkt men daarvoor ook samen met Brussels Airlines? Wordt het personeel alert gemaakt op mogelijke gevallen en krijgt het opleidingen?
Op de luchthaven is vooral Saniport hiervoor bevoegd. Tijdens een uitbraak worden procedures aangescherpt, vaak in overleg met verschillende experts. Men is daar zeker mee bezig. Brussels Airlines heeft ervaring en wij werken ook samen met Saniport. Er is absoluut geen reden om het vliegverkeer stil te leggen.
Ebola is wat dat betreft niet te vergelijken met covid, dat zich veel gemakkelijker verspreidde?
Dat is een wereld van verschil. We hebben al veel ebola-uitbraken meegemaakt. We weten dat het virus niet besmettelijk genoeg is om zich blijvend te verspreiden in landen met een goed functionerend gezondheidssysteem. Dat hoeven geen hoge-inkomenslanden te zijn. Kijk naar het verschil tussen Oeganda en Congo tijdens deze uitbraak. Oeganda heeft ook een zestiental infecties op zijn grondgebied gehad. Het ging vooral om geïmporteerde infecties die vroeg werden opgepikt. Dat maakt indijken gemakkelijker. Men krijgt de situatie daar goed onder controle, terwijl Oeganda zeker niet tot de rijkste landen behoort.
In dat opzicht hoeven wij ons geen grote zorgen te maken. Tegelijk moeten we waakzaam blijven. Er is een reële kans dat iemand besmet terugkeert uit de regio. Vooral eerstelijnshulpverleners moeten daarop bedacht zijn. Hulpverleners worden bij dit soort uitbraken vaak onevenredig zwaar getroffen. Dat zien we ook in Congo, bij artsen, verpleegkundigen en laboratoriummedewerkers.
Hoe komt het dat zoveel hulpverleners besmet raken? Zij kennen de gevaren en weten hoe ze zich moeten beschermen?
Vaak hebben ze de middelen niet om zich te beschermen. Bovendien is het moeilijk om de ziekte vroeg te herkennen. Ebola geeft aanvankelijk zeer aspecifieke symptomen. Het heeft hier ook maanden geduurd voordat de uitbraak werd herkend. Mensen ontwikkelen een griepaal beeld met koorts, dat evengoed malaria kan zijn, en later diarree. Ze melden zich bij een gezondheidspost of een ziekenhuis. Zelfs de meest elementaire beschermingsmiddelen, zoals handschoenen, ontbreken daar vaak. Zorgverleners kunnen zich dus niet adequaat beschermen. Dat is het grote drama.
Daarom kunnen ziekenhuizen tijdens zo’n uitbraak gevaarlijke plaatsen worden en de verspreiding versterken. Eens de epidemie bezig is, ontstaat bovendien veel indirecte schade. Mensen worden bang om nog naar het ziekenhuis te gaan. Zwangere vrouwen durven bijvoorbeeld niet meer naar hun opvolgconsultaties. Ik heb cijfers gehoord volgens welke de moedersterfte, die al hoog was, door de uitbraak bijna verdubbeld zou zijn. Die indirecte sterfte kan zeer groot zijn, soms groter dan de rechtstreeks aan de epidemie toegeschreven sterfte.
Het gaat veel verder dan die zevenduizend infecties en drieduizend vijfhonderd doden. De gevolgen zitten veel dieper. Grenzen worden gesloten, de economie wordt getroffen en voedselprijzen stijgen. Daardoor neemt ook de honger in die gemeenschappen toe. De impact van een ebola-uitbraak is veel groter dan alleen het aantal geregistreerde infecties en overlijdens.
Minder financiering
Heeft het terugschroeven van de Amerikaanse financiering voor de WHO in deze uitbraak concrete gevolgen?
Zeker. Om te beginnen zijn veel programma’s weggevallen die USAID in de regio financierde. Daarbij werden hulpverleners opgeleid om zich te beschermen en epidemieën te herkennen. Die programma’s voorzagen ook in handschoenen en andere beschermingsmiddelen. Dat ze zijn weggevallen, maakt dat men veel minder goed voorbereid is.
Ook de WHO heeft het zwaar. Er werken heel goede mensen, maar ze zitten op hun tandvlees. Veel medewerkers zijn ontslagen. Mensen die gebleven zijn, combineren nu soms functies die voordien door drie personen werden vervuld.
Er wordt vooral naar de Verenigde Staten gewezen, maar Europa doet evengoed mee. Besparen op ontwikkelingssamenwerking is een tendens die we ook zien in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en België. Tegelijk blijven de Verenigde Staten een zeer grote financier van de hulp ter plaatse.
Maar die financiering verloopt niet meer via de WHO?
Het is allemaal veel complexer, meer versnipperd en minder transparant geworden. Maar de Amerikanen zijn wel degelijk aanwezig. De huidige regering is ook bijzonder bang voor ebola. Die angst zie je terug in maatregelen zoals inreisverboden. Dit soort uitbraken staat nog altijd relatief hoog op de agenda van de Amerikaanse regering, waardoor er ook middelen voor worden vrijgemaakt.
De infecties bij terugkerende hulpverleners in 2014 hebben in de Verenigde Staten een groot debat veroorzaakt, onder de regering-Obama. Bij een van de teruggekeerde personen werd de infectie laattijdig herkend en raakten vervolgens ook verpleegkundigen besmet.
Trump heeft Obama daar toen bijzonder scherp over aangevallen. Hij verweet Obama dat hij liever ging golfen dan de ebolacrisis aan te pakken. Je ziet dat nu sterk terug in het beleid van de huidige Amerikaanse regering. Tijdens de huidige uitbraak zijn in totaal twee Amerikanen besmet geraakt. Vroeger zouden zij naar de Verenigde Staten zijn gerepatrieerd en in een gespecialiseerde eenheid behandeld. Nu worden ze naar Duitsland gebracht. Naar verluidt heeft Trump zelf sterke smetvrees. Die angst zie je weerspiegeld in het beleid. Maar de Verenigde Staten blijven tegelijk een van de grootste donoren van de bestrijding.
Dat wijkt af van het beeld dat de Verenigde Staten helemaal niet meer bijdragen. Ondertussen schiet ook Europa te kort.
Absoluut. We zien een algemene tendens van besparingen. Ontwikkelingssamenwerking is dan een van de posten waar snel naar gekeken wordt. Het is een bijzonder zorgwekkende trend.
Belang van de eerste honderd dagen
België heeft sinds covid geïnvesteerd in pandemische paraatheid. Als u vanuit Congo naar België kijkt, waarop zijn we dan nog onvoldoende voorbereid?
Ik bekijk dat vanuit mijn eigen expertise, die zich vooral in het Zuiden situeert. Juist de investeringen in ontwikkelingssamenwerking zijn belangrijk. Je kunt daarin investeren uit solidariteit, maar ook vanuit een puur eigenbelang is het verstandig. Ziektekiemen stoppen niet aan grenzen. Een ketting is maar zo sterk als haar zwakste schakel, en die ketting verbindt de hele wereld. In Congo zien we hoe zwak sommige schakels van het gezondheidssysteem zijn.
Gelukkig verwacht ik niet dat ebola in België een epidemie zal veroorzaken. Maar stel dat dit geen ebolavirus was geweest, maar een coronavirus, en dat het vier maanden had geduurd voordat de uitbraak werd opgemerkt.
Binnen de pandemische paraatheid wordt veel gewerkt rond de eerste honderd dagen: de ambitie om binnen honderd dagen veilige en doeltreffende vaccins beschikbaar te hebben wanneer een nieuwe epidemie of pandemie ontstaat. Maar als een uitbraak in die eerste honderd dagen niet eens gedetecteerd wordt, is dat niet alleen een probleem voor Congo. Het kan een probleem voor de hele wereld worden.
Congo is een regio met een hoog risico, met een grote biodiversiteit en veel mogelijkheden voor virussen om van dieren op mensen over te springen. We hebben al gezien hoe ziekteverwekkers vervolgens van mens op mens worden overgedragen en uiteindelijk België bereiken. Mpox is daar een belangrijk voorbeeld van.
Ebola zal hier geen grote epidemie veroorzaken. Maar stel dat het een nieuw coronavirus was geweest, bij wijze van spreken een ‘SARS-CoV-3’. Dan zou onnoemelijk veel tijd verloren zijn gegaan en was het onmogelijk geworden om zo’n uitbraak nog in te dijken.
Pandemische paraatheid moet dus verder reiken dan onze grenzen. Investeren in gezondheidsstructuren daar, bijvoorbeeld via ontwikkelingssamenwerking, is ook investeren in onze eigen veiligheid.
We richten ons bij pandemische paraatheid dus te veel op wat hier gebeurt en moeten meer over de grenzen kijken?
Zeker. Ik nam onlangs deel aan een debat over de vraag of we er nu beter voor staan dan vóór de covidpandemie. Op veel vlakken is dat zo. Regeringen hebben geïnvesteerd en er is technologische vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld bij vaccins.
Maar op andere vlakken staan we er slechter voor. Kijk naar de hantavirusuitbraak op het cruiseschip. Dat zijn bijzonder complexe gebeurtenissen: een infectie in Argentinië, vervolgens een route via Zuid-Afrika naar de Canarische Eilanden, met allerlei nationaliteiten aan boord. Voor zulke situaties hebben we internationale organisaties nodig, en bij uitstek de WHO.
De WHO heeft kritiek gekregen op haar aanpak van covid, soms terecht en soms onterecht. Maar we zouden het erover eens moeten zijn dat zo’n organisatie meer investeringen nodig heeft. Ze moet wereldwijd uitbraken en nog veel meer gezondheidsproblemen aanpakken met een budget dat kleiner is dan dat van de stad Antwerpen.
In plaats van erin te investeren, bouwen we de middelen af. Dat zie ik nu heel sterk op het terrein: hoe overwerkt mensen zijn en hoe moeilijk de organisatie het heeft, ondanks het goede werk dat haar medewerkers doen. We zien een verzwakking van multilaterale VN-structuren. In mijn ogen is dat een slechte ontwikkeling, die ons op sommige vlakken minder goed voorbereid maakt op een volgende pandemie.
Terwijl we weten dat er vroeg of laat opnieuw iets zal gebeuren.
Er zal ooit opnieuw iets komen, en het komt vaak uit een onverwachte hoek. We hadden ons jarenlang voorbereid op een volgende pandemie en dachten dat het een grieppandemie zou zijn. Plots bleek het een coronavirus.
Ik werkte zelf al enkele jaren rond mpox. Ik beschouwde het als een ziekte die in Afrika voorkwam en niet meteen een volgende grote epidemie zou veroorzaken. Tot ze zich plots via seksuele contacten begon te verspreiden en een wereldwijde uitbraak veroorzaakte. Ook dat had niemand vooraf zo voorspeld.
'Er zal ooit opnieuw iets komen, en het komt vaak uit een onverwachte hoek'
We weten dus niet wat het volgende zal zijn. We moeten altijd een open blik houden. Naar mijn mening zijn er grofweg drie groepen infectieziekten met een groot epidemisch of pandemisch potentieel. Eerst zijn er de ziekten die zich via de luchtwegen verspreiden. Daarnaast zijn er seksueel overdraagbare infecties. De vorige grote pandemie was de hiv-pandemie, en nu zien we ook mpox. Ten derde zijn er infecties die via muggen worden overgedragen en waarvan epidemieën moeilijk te stoppen kunnen zijn. Denk aan dengue, chikungunya, westnijl en zika. Door de klimaatopwarming verschuiven muggen steeds verder naar het noorden. Daardoor worden ook onze gebieden meer en meer risicogebieden voor door muggen overgedragen epidemieën. Het gaat om ziekten waar wij niet altijd bij stilstaan. Maar in Zuidoost-Azië zijn er bijvoorbeeld gigantische dengue-uitbraken, waarbij plots heel veel mensen ziek worden, met veel pijn en ook oversterfte. Voor de bevolking daar zijn zulke door muggen overgedragen epidemieën dagelijkse realiteit. Klimaatopwarming speelt daarin zeker een belangrijke rol.