Debat artsensyndicaten: 2. Vooruitblik op de begroting
"Onze maatschappij zal minder budget hebben voor de gezondheidszorg"
In het tweede deel van een debat met vertegenwoordigers van de drie artsensyndicaten (ASGB/Kartel, BVAS en ViaCaro) blikken we vooruit op de gezondheidszorgbegroting voor 2027.
Artsenkrant: Een van de nieuwigheden in de Kaderwet, de opdrachtenbrief, is er niet gekomen omdat de regering het niet eens werd. Dus we vallen nu terug op de vertrouwde procedure: Verzekeringscomité, adviezen, ministerraad, Algemene Raad. Hoe kijken jullie vooruit op het begrotingsproces?
Marieke Geijsels (ViaCaro): Ik denk dat het niet eenvoudig zal worden. Er is al een eerste multilateraal overleg geweest in juni. Het is uiteraard voor niemand fijn om in eigen budget te snijden, terwijl er wel nood is aan besparingen.
Waar we met via ViaCaro vooral achterstaan is: we willen gaan naar een gezondheidszorg waar er samengewerkt wordt. De manier waarop het budgetsysteem momenteel is georganiseerd, met allemaal aparte kokers, werkt dat tegen. Het is ontzettend belangrijk is dat we naar het grote plaatje kijken, want het gaat niet alleen over de artsenlonen, maar vooral over de vraag: hoe kunnen we het budget dat we hebben op de juiste manier besteden voor de bevolking, om de juiste gezondheidszorg te leveren?
Lieselot Brepoels (ASGB/Kartel): Ik denk dat we niemand iets wijs moeten maken. Onze maatschappij zal minder budget hebben voor de gezondheidszorg, en voor de technische evoluties die zich afspelen binnen de gezondheidszorg. We kunnen steeds meer, we kunnen steeds beter, maar het kost ook gigantisch veel meer. We zullen dus moeten kiezen wat we in de toekomst nog gaan doen. Ik denk dat dat een heel belangrijke boodschap is, niet enkel binnen de sector, maar ook naar de patiënt toe en naar de maatschappij toe.
Gaan we in de toekomst nog elke 80-jarige twee heupprothesen, twee knieprothesen en een schouderprothese kunnen geven? Dan heb ik het nog niet over immuuntherapie en chemotherapie. Ik zou ook graag alles willen, maar dat gaat niet meer gaan. En die keuzes, die moeten we op wetenschappelijke basis maken, op de deontologische basis die wij kennen, maar we moeten die ook durven benoemen. En dat mis ik een beetje.
Jos Vanhoof (BVAS): Ik denk dat we inderdaad een breed maatschappelijk debat moeten voeren met als vraag: wat willen wij als gemeenschap van zorg? En wat is het prijskaartje ervan? En dan moet je voor de totale bevolking afwegen: krijg je dan geen tweesporengeneeskunde? Degenen die het kunnen betalen, hebben die dan recht op meer kwalitatieve zorg of niet?
Artsenkrant: Een van de voorstellen die circuleert is de verhoging van het remgeld. Hoe staan jullie daar tegenover?
Jos Vanhoof: We weten dat we 470 miljoen moeten besparen. 31% in het budget gaat naar de artsen, 22% naar ziekenhuizen, 18% naar farma. Dus als wij voor 31% van de 470 miljoen budgettair moeten opdraaien, dan moeten wij 150 miljoen waarmaken. We hebben de rekensom gemaakt: als we de honoraria van de huisartsconsultaties voor patiënten zonder verhoogde tegemoetkoming laten stijgen met de gezondheidsindex van de laatste jaren, dan bespaar je 150 miljoen structureel. En dan houden we de drempel voor de mensen met een verhoogde tegemoetkoming laag. Ik denk dat het een sociale opdracht is, een ethische opdracht van elke arts, om die laagdrempeligheid te verzekeren.
Marieke Geijsels: Ik vrees dat dat een beetje een oversimplificering is van hoe het systeem werkt. Remgeld is gemaakt om zorg af te remmen. Er is zorg die misschien overbodig is en het is goed dat die afgeremd wordt. Maar er is ook zorg die wel echt nodig is, want hoe langer je wacht, hoe groter de kosten worden. Dat is waar wij bang voor zijn als het remgeld verhoogd wordt. Zelfs als dat niet voor de VT-patiënten is; we weten dat dat een continu spectrum is, waarbij sommige mensen er juist boven vallen.
We moeten vooral zien dat mensen op het juiste moment toegang hebben tot de juiste zorg. Uiteraard wil dat niet zeggen dat ze vijf artsen na elkaar mogen zien tot ze het antwoord krijgen dat ze willen, of dat ze naar spoed of naar de wachtpost gaan terwijl er perfect zorg mogelijk is tijdens de week. Dat vraagt ook een stuk verantwoordelijkheid van ons als artsen: dat er toegankelijkheid is, dat er capaciteit is. Maar wij vrezen dat met het remgeld te verhogen, dat we daar eigenlijk het omgekeerde effect mee bereiken.
Jos Vanhoof: Er moet zeker een bindend triagesysteem komen voor wachtpost en spoeddienst. Wanneer je spreekt over haalbaarheid van zorg, toegankelijkheid van zorg, nabijheid van zorg, dan moet je niet spreken over remgeld. Dan moet je het anders benoemen en dan moet je er ook iets aan koppelen dat op de juiste manier trieert. Mensen die zorg shoppen en bij drie artsen een mening gaan vragen, dat hoort niet.
Lieselot Brepoels: Ik vind de remgelddiscussie binnen de huisartsgeneeskunde bijzonder moeilijk, omdat ik daar zelf te weinig mee in contact kom. Het enige wat ik moet vaststellen - en wij doen zeer dure onderzoeken – is dat er heel veel dubbel gebeurt omdat we resultaten van eerdere onderzoeken niet kunnen gebruiken. Ik beslis zelf niet wat er gebeurt: er is een arts die dat onderzoek aanvraagt, anders kom je bij ons niet binnen, en dat is dikwijls onder druk van patiënten. Ik denk dat noch de arts, noch de patiënt vaak enig idee heeft wat dat aan de maatschappij kost. Voor mij is remgeld een middel om toch voor een stuk een bijdrage bij die patiënt te leggen, zodat die er niet van uitgaat dat alles zomaar gratis is.
Marieke Geijsels: Het zijn eigenlijk twee verschillende zaken die we met elkaar willen verbinden. Er is geld nodig en we zeggen: we kunnen de eigen bijdrage van de patiënten verhogen. Terwijl die eigenlijk, als je kijkt in Europa, in België al heel hoog ligt. En tegelijkertijd zeggen we: er is overconsumptie, niet-doelmatige zorg. En die twee zaken worden aan elkaar verbonden, maar dat is niet zo rechtlijnig.
De bindende triage is absoluut noodzakelijk. Het delen van resultaten van onderzoeken is absoluut noodzakelijk. Dat radiologen in beeldvorming, of laboranten in de klinische biologie, moeten kunnen zeggen: in dit geval is het compleet zinloos om dit onderzoek op dit moment te doen, dat is zo belangrijk. Want nu hebben patiënten iets gevonden op internet of via ChatGPT, of heeft de coach die hen anabole steroïden voorschrijft gezegd dat ze elke maand hun testosteron moeten laten onderzoeken. Ja, zo werkt het niet. We zijn geen winkel.
Artsenkrant: Er circuleerde wel een kladversie van de opdrachtenbrief en daarin was sprake van een soort centenindex waar de indexering van honoraria zou afgetopt worden. Is dat voor jullie bespreekbaar als de regering dat zou opleggen?
Jos Vanhoof: Artsen zijn nog steeds zelfstandigen en geen werknemers, dus een centenindex is hier irrelevant. Wat ik wel bizar vind, is dat wij telkens zelf moeten bepalen of we de volledige index gebruiken om onze honoraria te laten stijgen, of een deel van de index reserveren om bepaalde accenten te leggen in de gezondheidszorg, aan initiatieven naar doelmatige zorg, of noem maar op, die we zelf moeten financieren.
Lieselot Brepoels: Je ziet wel dat de zware medisch-technische diensten het steeds moeilijker hebben om state of the art toestellen te zetten. Die toestellen happen 75%, soms 80% uit ons honorarium, en de prijzen ervan worden vlot geïndexeerd, en ik hoef niet uit te leggen dat software steeds meer kost. Dat de index dan gebruikt wordt om andere noden op te vangen - die zeker zo terecht zijn, ik discussieer niet over die noden - zorgt ervoor dat veel medisch-technische diensten hun camera's langer laten draaien. Zijn we dan kwalitatief bezig?
Marieke Geijsels: Het probleem is vooral dat de niet-doelmatige zorg, de overconsumptie, multifactorieel is. Er is de verantwoordelijkheid van de patiënt, van de arts en de voorschrijver, er is het economisch model van ziekenhuizen, en daar moet allemaal op ingegrepen worden. Je kan dat niet vereenvoudigen tot: we gaan het remgeld verhogen en dan is dat allemaal opgelost.