Raad van State adviseert genuanceerd over wetsvoorstel taalbeheersing gezondheidszorgbeoefenaars
De Raad van State bracht advies uit over een wetsvoorstel dat gezondheidszorgbeoefenaars wil verplichten voldoende kennis van de taal van hun werkgebied aan te tonen. Hoewel het voorstel volgens de Raad een legitiem doel dient, vraagt hij aandacht voor mogelijke disproportionele gevolgen in specifieke situaties.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De Raad van State bracht een advies uit over het wetsvoorstel van Frieda Gijbels (N-VA) tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg voor wat betreft de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars (DOC 56-1543/002).
Het wetsvoorstel beoogt de Zorgkwaliteitswet te wijzigen voor wat betreft de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars, zodat hij of zij een bewijs van voldoende kennis van een officiële taal van het taalgebied of de taalgebieden waar hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent of wenst uit te oefenen moet aanleveren als voorwaarde om het desbetreffende beroep in België te kunnen uitoefenen. Het advies werd gegeven op vraag van de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
Wetsvoorstel beantwoordt aan dwingende redenen van algemeen belang
Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor Justitie leidt de Raad van State af dat beperkingen op de vrijheid van vestiging en meer bepaald beperkingen in de vorm van taalvereisten voor gezondheidszorgbeoefenaars, die steunen op een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de communicatie met patiënten en met andere gezondheidszorgbeoefenaars zijn toegestaan.
Ook de Europese richtlijn van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties vereist dat de begunstigde van de erkenning van beroepskwalificaties moet beschikken over de talenkennis die voor de uitoefening van hun beroep in de ontvangende lidstaat vereist is.
De Raad van State oordeelt dat het vereiste inzake talenkennis, zoals dat opgelegd wordt bij het voorstel, wel degelijk overeenstemt met een dwingende doelstelling van algemeen belang, namelijk de veiligheid van de patiënt, waardoor voldaan is aan de richtlijn van 7 september 2005.
Buitensporige gevolgen voor sommige gezondheidszorgbeoefenaars
De Raad van State onderzocht ook of de vereisten inzake de talenkennis die bij het voorstel opgelegd worden, niet verder reiken dan wat noodzakelijk is om de doelstelling inzake patiëntenbescherming te bereiken en of die vereisten bijgevolg het evenredigheidsbeginsel in acht nemen. Volgens de Raad van State bestaan er situaties waarin de voorgestelde regeling buitensporige gevolgen heeft, of op zijn minst kan hebben, voor bepaalde gezondheidszorgbeoefenaars.
De Raad geeft het voorbeeld van een gezondheidszorgbeoefenaar met de Duitse nationaliteit die zijn beroep wil uitoefenen in Eupen - die dus zijn visum verkrijgt op het ogenblik dat hij zich in België vestigt in het Duitse taalgebied - en die de Franse taal niet machtig is. Als die zorgverlener, die uit een andere lidstaat afkomstig is, vervolgens uitgenodigd wordt door een ziekenhuis dat zich in het Franse taalgebied bevindt, bijvoorbeeld in Luik, om daar voor langere tijd Duitstalige patiënten te verzorgen, zal die zorgverlener stuiten op de regeling inzake talenkennis die bij het voorstel wordt ingevoerd, en dat terwijl hij geen moeilijkheden zal ondervinden om met zijn patiënten te communiceren.
Daarom moet de wetgever het voorstel onderzoeken in het licht van deze opmerking, waarbij hij moet nagaan in welke situaties het voorstel buitensporige gevolgen kan hebben en gepaste afwijkende en/of compenserende maatregelen aannemen.