Raad van State verwerpt beroep aso tegen stopzetting stage
De Raad van State heeft het beroep van een arts-specialist in opleiding tegen de beslissing tot stopzetting van een stage afgewezen. Volgens de Raad kon hij niet aantonen dat de bestreden beslissing onzorgvuldig was tot stand gekomen.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De Raad van State wees in een arrest van 8 juni 2026 het beroep van een arts-specialist in opleiding tegen de beslissing tot stopzetting van een stage af.
Stopzetting van de stage
Op 27 maart 2025 besliste de secretaris-generaal van het departement Zorg, afdeling Vlaamse Zorgkas en Zorgberoepen, om de stage van de verzoeker in anesthesie- reanimatie stop te zetten, op grond van de volgende overwegingen:
"Geachte dr. XXXX, Ik bezorg u hierbij mijn beslissing met betrekking tot de vraag van de erkenningscommissie anesthesie-reanimatie om uw dossier stop te zetten.
"Na haar zitting van 26 november 2024, adviseerde de erkenningscommissie anesthesie-reanimatie en nam het Departement Zorg het voornemen om uw stageplan anesthesie-reanimatie stop te zetten. Dit voornemen werd aan u overgemaakt op 10 december 2024.
"Op 4 januari 2025 verzond u een bezwaarschrift, dat ontvankelijk werd bevonden. Uw bezwaar werd beoordeeld tijdens de bijeenkomst van 4 februari 2025 van de kamer voor artsen-specialisten en huisartsen van de Adviescommissie voor voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers.
"De adviescommissie concludeert dat u ongeschikt bent om de functie op een verantwoorde manier uit te oefenen en verklaart het bezwaarschrift ongegrond. Conform de standpunten van de erkenningscommissie en de adviescommissie, besluit ik om uw stage in de anesthesie-reanimatie stop te zetten."
Tegen deze beslissing ging de arts in beroep bij de Raad van State.
Geen onzorgvuldige beslissing
Verzoeker voerde onder meer aan dat de bestreden beslissing onzorgvuldig was tot stand gekomen, daar ze zonder meer steunde op de adviezen van de erkenningscommissie en de adviescommissie, waardoor de bestreden beslissing niet steunde op deugdelijke en draagkrachtige motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn.
Volgens de Raad van State ging verzoeker volledig voorbij aan de bijzonder omstandige formele motivering van de bestreden beslissing, vervat in de daaraan voorafgaande adviezen, in het bijzonder het advies van de erkenningscommissie.
Evenzeer verloor verzoeker uit het oog dat aan een overheidsonderzoek het vermoeden van wettigheid kleeft en dat, om de onwettigheid van de motieven van de bestreden beslissing aan te tonen, hij niet mag volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust.
Om het vermoeden van wettigheid te doen wankelen, moest verzoeker aanwijzingen verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist waren.
Verzoeker deed dat met zijn kritiek niet. Het volstaat immers niet om een reeks positieve elementen aan te halen – die dan nog vaak blijk geven van een zeer gekleurde, eenzijdige visie over een aantal stukken uit het administratief dossier – om de omstandige formele motivering van het advies van de erkenningscommissie te weerleggen.
Verzoeker gaf daarmee wel blijk van een eigen visie op één en ander, maar toonde geenszins de onjuistheid aan van de schragende motieven van de bestreden beslissing.
Ook andere middelen werden als ongegrond beschouwd. Derhalve verwierp de Raad van State het beroep.