Quota gaan over patiënten en jonge artsen, niet over cijfers
Een systeem dat jonge mensen hier zes jaar laat studeren en hen daarna mogelijk geen toegang geeft tot de vervolgopleiding, terwijl elders opgeleide artsen wel kunnen instromen, is moeilijk verdedigbaar, schrijft Mark De Ridder, CEO UZ Brussel.
Het debat over artsenquota keert al jaren terug. Af en toe haalt het de media, zoals vorige week. Maar voor veel mensen blijft het een technisch en abstract dossier.
Dat is het niet.
Vanaf 2032 dreigt er in Vlaanderen elk jaar een groep jonge artsen af te studeren die na zes jaar basisopleiding niet kunnen starten met hun vervolgopleiding tot huisarts of specialist.
De reden is deze. Vlaanderen bepaalt hoeveel studenten aan de basisopleiding geneeskunde mogen beginnen. Dat zijn er vandaag 1.878 per jaar. Het federale niveau bepaalt hoeveel van hen zes jaar later kunnen doorstromen naar een vervolgopleiding en dus uiteindelijk naar het artsenberoep: het zogenaamde federale quotum. Voor 2032-2033 ligt dat op 1.427.
Als alle studenten die volgend academiejaar starten hun basisopleiding succesvol afronden, kunnen 451 van hen niet aan de vervolgopleiding beginnen in 2032-2033. Er zullen onderweg uiteraard studenten afhaken, maar zelfs dan blijft het gaan om een grote groep jonge mensen die zes jaar hebben gestudeerd voor een toekomst waarvan de deur mogelijk gesloten blijft.
Ja, er zijn redenen om het aantal plaatsen in de vervolgopleiding niet onbeperkt op te trekken. Zo vraagt een kwaliteitsvolle opleiding voldoende stageplaatsen, begeleiders en patiëntencontact. En ja, er zijn ook historische gevoeligheden in dit dossier die we ernstig moeten nemen.
Maar we mogen ons daar niet achter verschuilen.
De projecties over het aantal benodigde artsen kunnen kloppen in theorie. De praktijk toont vandaag iets anders: patiëntenstops bij huisartsen en lange wachttijden bij specialisten zetten de toegankelijkheid van onze zorg steeds meer onder druk.
Daarom moeten we vooruitkijken vanuit de realiteit van vandaag.
Patiënten hebben nood aan toegankelijke zorg. En jonge mensen die jaren investeren in studies hebben recht op duidelijkheid over hun toekomst in de Belgische zorg.
Daar komt een extra oneerlijkheid bij. Terwijl we onze eigen studenten streng beperken in hun doorstroom naar de vervolgopleiding en dus naar het artsenberoep, kunnen buitenlandse artsen van wie het diploma hier erkend wordt zonder die beperking starten.
Laat mij duidelijk zijn: internationale expertise is waardevol en broodnodig in onze zorg. Dat zie ik in ons ziekenhuis elke dag.
Maar een systeem dat jonge mensen hier zes jaar laat studeren en hen daarna mogelijk geen toegang geeft tot de vervolgopleiding, terwijl elders opgeleide artsen wel kunnen instromen, is moeilijk verdedigbaar.
Ook voor patiënten is dat niet zonder belang. In zorg is taal geen formaliteit. Een patiënt moet kunnen uitleggen wat hij voelt, begrijpt en vreest. Een arts moet kunnen doorvragen, nuanceren en moeilijke informatie helder overbrengen. Als dat gesprek hapert, komt ook de kwaliteit en veiligheid van zorg onder druk.
In het hele debat hoort dat voor mij de kern te zijn: niet de exacte cijfers, maar wat ze betekenen voor patiënten die zorg nodig hebben en voor jonge artsen die perspectief verdienen.