Het plateau ligt wel erg hoog
Langdurig zieken: geen tijd voor misplaatst optimisme
De Tijd en De Morgen hebben de laatste RIZIV-cijfers over langdurige arbeidsongeschiktheid onder ogen gekregen en gepubliceerd. Het verdict: 576.643 mensen langdurig ziek eind 2025. Een nieuw record. 105.000 meer dan vijf jaar geleden. De grootste absolute toename ooit. En toch was de toon in meerdere kranten opvallend mild.
Edelhart Kempeneers, arbeidsarts en algemeen directeur van de externe preventiedienst Attentia
De stijging is "vooral technisch", stelt bijvoorbeeld VRT NWS, namelijk het optrekken van de pensioenleeftijd naar 66. Trek je die 65-plussers eruit, dan groeit de groep maar met 1,6 procent. De kleinste toename sinds 2008. Een arbeidsgeneeskundige expert: "we zitten op een plateau". Minister Frank Vandenbroucke ziet een "positief signaal".
Ik zou willen meegaan in dat optimisme, echt, maar ik kan het niet.
Pas als iemand officieel uitvalt, schakelt iedereen in.
Wat is dat plateau eigenlijk? Is het een vlak landschap na een lange klim? Of is het de korte adempauze van iemand die buiten adem is en zich aan de leuning vasthoudt? In bijna twintig jaar tijd is het aantal langdurig zieken meer dan verdubbeld. Eind 2005 zaten we rond 200.000 werknemers en zelfstandigen. Vandaag staan we op bijna 580.000. Als dat het plateau is, dan ligt het wel heel hoog.
Eén cijfer uit dezelfde RIZIV-data krijgt opvallend weinig aandacht: het aantal depressies en burn-outs. Plus 39 procent op vijf jaar tijd. Bijna twee keer zo snel als de algemene stijging. Bij vrouwen 27 procent, bij mannen 16. Bij jongere werknemers is dit zelfs het dominante ziektebeeld.
Daar is geen pensioenleeftijd-effect dat dit weglegt.
Hoofdredacteur Isabel Albers van De Tijd was in haar editoriaal van diezelfde dag dan ook een stuk minder mild: België staat verhoudingsgewijs aan de Europese top voor het aantal langdurig zieken. Wallonië en Brussel prijken bovenaan, alleen Nederland komt in de buurt, Vlaanderen doet het "iets beter, maar ook niet fameus". Haar woorden: "wat een verspilling van menselijk kapitaal".
Dat is een ander register dan "kentering".
Getuige of actor?
Bij verzuim dat richting langdurige uitval evolueert, zien we vaak hetzelfde patroon. Signalen die maandenlang aanwezig waren maar niet zijn opgepikt. Een leidinggevende die het wel zag maar niet wist wat te doen. Een HR-collega die wachtte tot het officieel werd. Een arbeidsarts die pas in beeld kwam toen het kalf al verdronken was, omdat het systeem nu eenmaal zo werkt: pas als iemand officieel uitvalt, schakelt iedereen in.
En hier komt het ongemakkelijke deel.
Ook binnen onze eigen beroepsgroep zien we soms weerstand om actief mee te werken aan het beperken van verzuim. We vrezen, en niet zonder reden, dat we het instrument worden van een besparingslogica en dat we de “controlearts” worden tegenover onze werknemers-patiënten.
De Wet op het Welzijn is hierin ook duidelijk: de arbeidsarts is geen controlearts. Maar die afgrenzing wordt al te vaak vertaald als “dus geen actor”. En daar zit het probleem.
Want kijk eens naar wat we feitelijk kunnen wat anderen niet kunnen. Wij zien de werkplek. Wij zien het medisch dossier. Wij voeren vanuit een objectieve en onafhankelijke positie het gesprek met werknemer én werkgever; voor de uitval, op het moment van de uitval, en bij de overweging om terug te keren. Niemand anders heeft al die elementen samen op één tafel. Niet de huisarts. Niet de adviserend arts van het ziekenfonds. Niet de leidinggevende. Niet HR.
Die onafhankelijkheid is precies wat onze positie waardevol maakt, als basis om iets te kunnen zeggen wat geen van de andere partijen kan zeggen. Niet om voor de werkgever te bepalen wie wel en niet ziek is. Wel om mee te denken: bij wie zit hier waarschijnlijk arbeidspotentieel, bij wie niet? Bij wie zou een vroegtijdig gesprek de kans op uitval verkleinen, bij wie is dat zinloos en zelfs schadelijk?
Dat zijn vragen waar wij iets zinnigs over kunnen zeggen, mits we ze durven te beantwoorden in plaats van naar het beroepsgeheim te wijzen elke keer als het ongemakkelijk wordt.
De ziekenfondsroute
Ik blijf me afvragen waar dit eindigt voor de beroepsgroep zelf.
De ziekenfondsen werden ooit opgericht om mensen te helpen die uitvielen. Vandaag krijgen ze behoorlijk wat kritiek te slikken, omdat ze die rol niet meer ten volle waarmaken. Het beleid gaat dan zoeken waar de actie wel ontstaat: bij werkgevers, bij externe preventiediensten, bij heractivatie-programma's. De ziekenfondsen zijn zeker niet verdwenen, maar ze zijn wel marginaler geworden in het verhaal van re-integratie.
Dezelfde route is voor de arbeidsgeneeskunde geen ondenkbaar scenario.
Als wij, die als geen ander de werkplek zien, de signalen herkennen, de gesprekken voeren, geen actieve rol opnemen in het verminderen van instroom naar arbeidsongeschiktheid? Dan blijft alleen de uitkeringskant en de controlekant over om aan te draaien.
Dat is precies de beleidslogica die we vrezen, en die we mee in stand houden door af te haken. De minister zoekt actoren. Wie geen actor wil zijn, wordt op zeker moment ook geen aanspreekpunt meer.
Het terug-naar-werkbeleid van Vandenbroucke is niet perfect. Een groot deel van de maatregelen is pas sinds januari van kracht, dus de "kentering" die hij ziet, kan hij eigenlijk nog niet zien. En een aanzienlijk deel van het arsenaal is gericht op controle en sanctionering.
Maar het opvegen van de plas is iets anders dan de kraan dichtdraaien. En de kraan dichtdraaien gebeurt op de werkvloer. Hier kunnen we als beroepsgroep een actieve en positieve rol spelen.
Een ander gesprek
Achter elk van die 576.643 cijfers zit een dossier. Achter elk dossier zat ergens een werkvloer, een leidinggevende, een HR-gesprek, een arbeidsarts. En in een aanzienlijk deel daarvan een moment waarop een ander gesprek mogelijk was geweest dan het gesprek dat is gevoerd.
Welke versie van onze beroepsgroep willen we over tien jaar zijn?