IQVIA: Gezondheidsongelijkheid vraagt om een andere blik
"We hebben ‘dikke, domme doelgroepen’ gecreëerd"
Als het over gezondheid gaat, hebben we het te vaak over individueel gedrag en te weinig over omgevingsfactoren. Mensen met de vinger wijzen is namelijk makkelijker dan machtige lobby’s aanpakken. Dat zei prof. Klasien Horstman op een studiedag van IQVIA.

Horstman was een van de keynote speakers op ‘Health Inequity in Belgium’, een studiedag georganiseerd door IQVIA, een onderneming gespecialiseerd in het gebruik van gegevens, technologie en analyses in de medische sector.
Ook binnen een geavanceerd gezondheidszorgsysteem als het Belgische bestaan er aanzienlijke verschillen in toegankelijkheid, resultaten en ervaring van zorg. Daarom bracht IQVIA Belux belangrijke stakeholders uit het gehele Belgische zorgsysteem samen.
Iona Kickbusch van het Institut de Hautes Études Internationales et du Développement (IHEID) in Genève bond meteen de kat de bel aan. “In de private sector wordt disruptie aanbeden als een goede zaak. Maar de huidige geopolitieke disruptie doodt mensen.”
Kickbusch had geen goed woord voor initiatieven om de weerbaarheid van mensen te verhogen. “Dat is een symptoom van de tendens om problemen te individualiseren. We hebben geen tekort aan weerbaarheid maar aan systemen die werken.” Ze wees op drie domeinen die veel te weinig aandacht krijgen: de mentale gezondheid van jonge mannen, femicide, en armoede in gezinnen – net name eenoudergezinnen.
Machtige actoren blijven buiten schot
Al decennialang proberen onderzoekers, beleidsmakers en zorgprofessionals gezondheidsongelijkheid terug te dringen. Toch zijn de verschillen in gezondheid tussen sociale groepen hardnekkig gebleven, stelt prof. Klasien Horstman, emeritus hoogleraar filosofie van de gezondheidszorg aan de Universiteit Maastricht.
Volgens Horstman ligt dat niet alleen aan falend beleid, maar ook aan de manier waarop we het probleem zelf benaderen. “De hele machinerie van onderzoek, interventies en evaluatie van interventies heeft de kloof alleen maar vergroot.”
Horstman wijst erop dat de focus in onderzoek en beleid vaak ligt op individueel gedrag. Er wordt gekeken naar roken, alcoholgebruik, voeding en beweging als determinanten van gezondheid, terwijl factoren als huisvesting en arbeidsomstandigheden minder aandacht krijgen.
“Individuen aanspreken op hun gedrag is namelijk makkelijker dan andere risicofactoren zoals de fysieke omgeving aan te pakken”, aldus Horstman. Door die focus op individueel gedrag blijven machtige actoren zoals de tabaks-, gok- en voedingsindustrie ook buiten schot.
De schaduwzijde van goede bedoelingen
Horstman stelde dat veel onderzoekers en professionals handelen vanuit goede intenties. Maar hun aanpak kan onbedoeld stigmatiserend zijn. “We hebben een wereld geschapen waarin we ervan uitgaan dat normale mensen een masterdiploma hebben”, aldus Horstman. Wie daar niet aan voldoet, heeft ‘beperkte bandbreedte’, zoals dat eufemistisch heet.
Die redenering wordt vervolgens gebruikt om te verklaren waarom mensen, ondanks de veelheid aan gezondheidsvoorlichting, toch ‘verkeerde keuzes’ blijven maken. “Het luidt dat die mensen stress hebben door slechte leef- en werkomstandigheden, en dat die stress ‘hun bandbreedte beperkt’. Lijnpiloten en artsen hebben ook stress, maar van hen zal niemand zoiets zeggen.”
Horstman geeft het voorbeeld van een Nederlandse campagne om ouders te wijzen op de risico’s van overgewicht bij kinderen. In sommige culturen is overgewicht een symbool van welvaart, en bij ouders met die achtergrond was de langetermijnrespons op de campagne erg laag.
“In plaats van zich af te vragen wat er mis was met hun interventies, was de conclusie van de professionals: ‘de doelgroep heeft beperkte taalvaardigheid en weinig kennis over gezonde voeding. Het is daarom te ambitieus om onze boodschap naar hen over te brengen’, fulmineerde Horstman.
'We hebben ‘dikke, domme doelgroepen’ gecreëerd, die de schuld krijgen voor gezondheidsongelijkheden omdat ze niet voldoen aan de normen en verwachtingen van hoogopgeleide professionals'
‘Dikke, domme doelgroepen’
Dat is het ongewilde effect van decennia onderzoeken en interventies, zegt Horstman. “We hebben ‘dikke, domme doelgroepen’ gecreëerd, die de schuld krijgen voor de gezondheidsongelijkheden omdat ze niet voldoen aan de normen en verwachtingen van hoogopgeleide professionals.”
Horstman klaagt ook aan dat het discours over mensen met lage socio-economische status vooral focust op wat zij niet kunnen of doen. Dit ‘deficit thinking’ laat een heleboel positieve zaken uit beeld verdwijnen, zoals humor, solidariteit en informele zorg in buurten en gezinnen. “De goede eigenschappen van deze mensen worden niet vermeld, want ze zijn niet goed op de manier waarop wij wensen dat ze goed zijn.”
De publieke ruimte als gezondheidsbeleid
Horstman pleit voor een fundamenteel andere benadering. Gezondheidsongelijkheid moet niet alleen worden gezien als iets wat “in mensen” zit, maar als iets wat ontstaat tussen mensen. Daarom schuift ze een ruimtelijk perspectief naar voren: kijken naar buurten, straten, publieke plekken en sociale infrastructuur.
Ze vergelijkt die aanpak met de grootscheepse aanleg van rioleringstelsels in de 19de eeuw – een van de meest succesvolle maatregelen voor de volksgezondheid. Net zo zouden we moeten investeren in een publieke ruimte die sociale verbindingen mogelijk maakt.
'Artsen die alleen andere artsen ontmoeten, hebben geen idee wat het is om dakloos te zijn, of te leven met een laag inkomen'
Die publieke ruimte is vandaag haast volledig gecommercialiseerd, zegt Horstman. Dat werkt segregatie in de hand. “Mensen met geld zoeken cafés en restaurants op waar andere mensen niet kunnen komen. Als je wil dat mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten, moet je de publieke ruimte decommercialiseren.” Dat het sociale leven van jongeren zich vaak afspeelt in fastfoodrestaurants noemt Horstman veelzeggend: er zijn gewoon te weinig niet-commerciële plekken waar ze elkaar kunnen ontmoeten.
Volgens Horstman kunnen ontmoetingsplekken gevoelens van veiligheid en verbondenheid creëren. “We moeten elkaar kunnen ontmoeten omdat het de enige manier is om elkaar te leren kennen. Artsen die alleen andere artsen ontmoeten, hebben geen idee wat het is om dakloos te zijn, of te leven met een laag inkomen.”
Sociale contacten zijn bovendien een belangrijke mediator voor gezondheid. “Of het nu gaat om hart- en vaatziekten, diabetes, infectieziekten of mentale problemen: mensen met sterkere sociale netwerken hebben een lagere ziektelast. Dus de vraag moet zijn: hoe stimuleren we sociale netwerken? Waar kunnen we elkaar ontmoeten?”
Horstman besluit met een pleidooi voor participatie. Mensen weten volgens haar zelf het best welke plekken en voorzieningen in hun buurt nodig zijn. “Als bewoners mee vormgeven aan parken, straten, winkels en ontmoetingsruimtes, groeit ook het gevoel van eigenaarschap en verantwoordelijkheid.”

>> Klasien Horstman & Mare Knibbe: Gezonde stad. Uitsluiting en ontmoeting in de publieke ruimte. De Graaff, 2022