Conventiecijfers
Kloof tussen specialismen vergroot
De exacte cijfers van de toetredingsgraad tot de artsenovereenkomst 2026-2027, opgesplitst per medische specialisatie en per regio, worden momenteel voorgesteld tijdens de medicomut. Hoewel de globale toetredingsgraad onder artsen hoog blijft (85,72%), zet de lichte erosie die in 2022 begon zich voort, met duidelijke verschillen tussen specialismen.

De gedetailleerde tabellen die het RIZIV dit weekend heeft vrijgegeven, zullen liefhebbers van cijfers zeker bekoren. Per medische specialisatie en per regio (op arrondissementsniveau) tonen ze het aantal actieve artsen en hun verdeling volgens hun keuze ten aanzien van de medicomut-overeenkomst die de tarieven voor 2026 en 2027 vastlegt: volledige toetreding (volledig geconventioneerd), beperkte toetreding (gedeeltelijk geconventioneerd) en weigering (gedeconventioneerd). Hoewel het globale cijfer dat vorige week werd aangekondigd (85,72% toetreding) wijst op een brede deelname, verbergt het tal van nuances.
Om te beginnen is er een duidelijk verschil tussen huisartsen (92,31% geconventioneerd) en specialisten (81,39% geconventioneerd). “De toegankelijkheid van zorg is de ‘levensverzekering’ van de huisartsgeneeskunde (met haar specifieke meerwaarde) in een zorgsysteem dat te weinig gestructureerd is en waar ongepast gebruik van specialistische zorg zonder filter gebeurt”, reageert dr. Lawrence Cuvelier, voorzitter van het GBO. “Huisartsen hebben dat goed begrepen. Ook uit maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel sluiten zij zich massaal aan. Nochtans treffen bepaalde maatregelen sommige huisartsen. Hun inkomen daalt omdat ze niet geaccrediteerd zijn. Wanneer ze niet (meer) geaccrediteerd zijn, is dat vaak niet uit nonchalance tegenover de kwaliteit van zorg, maar bijvoorbeeld omdat ze aan het einde van hun loopbaan staan.”
Dr. Patrick Emonts, voorzitter van de Bvas, verklaart dit verschil in conventiegraad door het verloningssysteem van huisartsen in vergelijking met dat van specialisten. "In tegenstelling tot ambulante specialisten zijn ziekenhuisartsen beter beschermd dankzij het BMF, waardoor het normaal is dat er een verschil in conventiegraad tussen deze specialisten wordt vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de huisartsgeneeskunde en, a fortiori, voor wijkgezondheidscentra die met een forfaitair systeem werken. Dat zijn zeer bevoordeelde artsen, bij wie de verloning toelaat een aanzienlijke levenskwaliteit te hebben dankzij de telematicapremies en dergelijke. Het zijn mensen met een normale, niet buitensporige verloning."
Gedeeltelijke conventie
Een eerste nuance betreft de gedeeltelijke conventie, die in de (te) binaire tegenstelling “toetreding versus weigering” wordt meegerekend bij het conventiecijfer. "In de berekeningswijze is alles erop gericht om een maximaal aantal geconventioneerden te hebben", bekritiseert de voorzitter van de Bvas. "Ten eerste zijn artsen automatisch geconventioneerd en moeten zij zich kenbaar maken om dat niet meer te zijn. Alle artsen die een RIZIV-nummer hebben behouden maar niet meer actief zijn (of ze nu bij ziekenfondsen of verzekeringen werken of de geneeskunde hebben verlaten) zijn ook automatisch geconventioneerd. Tot slot worden gedeeltelijke conventies meegerekend bij de conventies, dus men moet dit echt nuanceren." Op nationaal niveau bedraagt het aandeel gedeeltelijke conventie 2,93%. Dit blijft zeer beperkt en stabiel bij huisartsen (0,44%), maar is duidelijker aanwezig bij specialisten (6,01%).
In historisch perspectief corrigeert de overeenkomst 2026-2027 gedeeltelijk de sterke stijging van gedeeltelijke conventie bij de vorige overeenkomst (3,56% globaal, met 7,64% bij specialisten), maar keert ze niet terug naar het niveau van 2022 (2,29% globaal met 4,81% bij specialisten). Deze toename van gedeeltelijke conventie is dus vrijwel volledig een fenomeen bij specialisten (met gynaecologen-verloskundigen, orthopedisten en urologen bovenaan).
Huisartsgeneeskunde: langdurig consult ondergewaardeerd
De stabiliteit van de conventiestatus bij huisartsen (92,31% in 2026 tegenover 91,23% in 2024) verdient ook nadere duiding. Deze lichte daling lijkt het resultaat van een stijging bij artsen met meer dan 31 jaar carrière (codes 001 en 002, ingeschreven vóór 1995) en een iets sterkere daling bij jongere huisartsen.
“Bepaalde huisartsen zijn niet geconventioneerd omdat ze vooral lange consultaties uitvoeren (bijvoorbeeld voor geestelijke gezondheidsproblemen) die nog steeds niet erkend worden”, legt dr. Cuvelier uit. “Dat leidt tot de paradox dat een geconventioneerde huisarts een lange of complexe consultatie kan uitvoeren zonder enige terugbetaling, terwijl een gedeconventioneerde huisarts een consultatiecode kan aanrekenen met terugbetaling (en supplement). Dat is de wereld op zijn kop! We werken eraan dat de hervorming van de nomenclatuur de lange consultatietijd in de huisartsgeneeskunde echt erkent.”
Dermatologen onder druk
Er nemen duidelijk meer specialisten dan huisartsen afstand van de officiële tarieven. Van een toetreding van 82,05% in 2024 daalt dit naar 81,39% in 2026. Maar de verschillen tussen specialismen zijn groot. De cijfers voor dermatologie zijn frappant: met een toetredingsgraad van 27,89% (in werkelijkheid slechts 23,23% volledig geconventioneerd, na aftrek van 16,73% gedeeltelijke conventie), zijn dermatologen de minst geconventioneerde specialisten.
Het verbaast dr. Emonts helemaal niet: "Met de tarieven van de conventie is de dermatologie in de ambulante sector dood. Een hele reeks prestaties, met het materiaal dat ze vereisen, kosten de dermatoloog veel geld maar leveren hem geen extra inkomsten op. Wij artsen hebben een middelenverbintenis, die ons verplicht om met hoogtechnologisch materiaal te werken. In de gynaecologie kan ik niet werken met een echografietoestel van 15 jaar oud! Het is deze realiteit, die geldt voor alle specialismen waarvan de werking in de ambulante sector hoge kosten met zich meebrengt, die leidt tot deconventionering. Dit doet zich niet voor in het ziekenhuis, omdat het BFM deze kosten draagt. In de ambulante sector heeft de arts die zijn activiteit wil behouden geen andere keuze dan zich te deconventioneren."
Dit betekent een sterke daling ten opzichte van 2024 (-10%) en een nog grotere daling ten opzichte van 2022 (-22%). Minder dan één op vier dermatologen is in 2026 nog volledig geconventioneerd. Bij een gelijkblijvend tempo en beleid zou het aandeel (inclusief gedeeltelijke conventie) tegen 2035 onder de 10% zakken. "Daar ligt het echte probleem, want patiënten moeten wel nog de mogelijkheid hebben om ergens bij een geconventioneerde arts terecht te kunnen", erkent dr. Emonts. "We mogen niet evolueren naar een conventiegraad die zo laag is dat ze geen toegang meer hebben tot dermatologische zorg. Maar het probleem ligt bij het minimumtarief van de terugbetaling van de prestatie. Men moet stoppen te denken dat de dermatoloog plots heeft beslist om zich te verrijken en een hoger levensniveau na te streven."
Ook in andere disciplines zien we sterke dalingen ten opzichte van de vorige overeenkomst: -5,91% in NKO (tot 65,28%), -5,43% in urologie (tot 60,45%), -5,17% in orthopedie (tot 53,22%) en -4,92% in cardiologie (tot 69,16%). In neurologie is er eveneens ongenoegen: -3,36%, al blijft de toetredingsgraad daar relatief hoog (87,65%).
Oftalmologie en gynaecologie blijven laag
Oogheelkunde behoort eveneens tot de specialismen met de laagste toetredingsgraad: de daling van -3,60% brengt het totaal op 37,75%. Ook gynaecologie-verloskunde blijft laag: een lichte stijging (+0,82%) maskeert een globale toetredingsgraad van slechts 52,85%, die bovendien 14% gedeeltelijke conventie omvat (waardoor de volledige conventie daalt tot 45,45%).
“Wij betreuren dat sommige specialistische disciplines minder financieel toegankelijk worden (dermatologie, NKO, gynaecologie…)”, aldus dr. Cuvelier. “Er is nood aan grondig onderzoek naar de oorzaken van dit terugkerend deconventioneren. Het lijkt erop dat specialismen die ambulant kunnen werken, zich vaker deconventioneren, ten koste van de toegankelijkheid in ziekenhuizen. Een betere erkenning van de lange consultatietijd in specialistische geneeskunde zou ook hier het conventiestatuut kunnen bevorderen.”
Sommige specialismen bijna volledig geconventioneerd
Deze analyse zou onvolledig zijn zonder de specialismen te vermelden die zeer sterk geconventioneerd blijven of zelfs vooruitgang boeken. Niet alles gaat achteruit bij de specialisten. Anesthesie-reanimatie steeg van 95,6% in 2022 naar 97,1% in 2026, geriatrie bereikt 99,52% (slechts twee geriaters in België zijn gedeconventioneerd, geen enkele gedeeltelijk), en acute en spoedeisende geneeskunde blijft op 98,74%.
Globale conventiegraad (waarvan de gedeeltelijke conventiegraad deel uitmaakt) per discipline:
- Huisartsgeneeskunde: 92,31% (waarvan 0,44% gedeeltelijk geconventioneerd)
- ASO's: 99,89% (0,02%)
- Anesthesie-reanimatie: 97,07% (0,85%)
- Chirurgie: 83,09% (5,43%)
- Neurochirurgie: 73,65% (12,50%)
- Plastische chirurgie: 45,03% (14,11%)
- Gynaecologie-obstetrie: 52,85% (21,79%)
- Oftalmologie: 37,75% (15,58%)
- NKO: 65,28% (16,67%)
- Urologie: 60,45% (18,47%)
- Orthopedie: 53,22% (20,23%)
- Stomatologie: 58,98% (10,53%)
- Dermatologie: 27,89% (16,73%)
- Oncologie: 98,36% (4,53%)
- Interne geneeskunde en endocrinologie-diabetologie: 97,35% (2,72%)
- Pneumologie: 92,66% (4,17%)
- Gastro-enterologie: 82,54% (7,95%)
- Pediatrie + pediatrische neurologie: 87,01% (3,61%)
- Cardiologie: 69,16% (9,03%)
- Neuropsychiatrie: 88,70% (0%)
- Neurologie: 87,65% (5,77%)
- Psychiatrie: 90,53% (2,49%)
- Reumatologie: 79,69% (8,49%)
- Fysische geneeskunde en fysiotherapie: 70,58% (7,37%)
- Klinische biologie: 99,07% (0,16%)
- Anatomo-pathologie: 97,34% (0,23%)
- Radiodiagnostiek: 65,62% (6,02%)
- Radiotherapie: 93,71% (8,58%)
- Nucleaire geneeskunde: 94,90% (0%)
- Acute en spoedeisende geneeskunde: 98,52% (0,91%)
- Andere specialismen: 95,10% (2,06%)